Vormen/strooien

Van de belijmde spaanders wordt een mat of een spaankoek met de gewenste dikte en samenstelling gevormd. Vaak is dit een continu proces waarbij matten met een constante breedte en een oneindige lengte worden gevormd, die vervolgens op de gewenste lengte worden doorgesneden. Het kan evenwel ook een discontinu proces zijn waarbij matten met een vooraf bepaalde lengte worden gevormd.

Het strooien kan volgens bepaalde principes gebeuren. Een verregaande scheiding van fijne en grove spaanders gebeurt door de strooimachine zelf.

  • walsstrooimachine met twee tegengestelde rollenstrooiers (2 dekken boven mekaar). Op deze manier wordt een bijkomende afscheiding van deeltjes die niet thuishoren in de spaandermassa verkregen (opvang achteraan).
  • windstrooimachine met één strooikop, waardoor eerst de eerste deklaag, vervolgens de grove middenlaag en laatst de tweede deklaag worden geblazen door specifieke regeling van de blaasrichting en -sterkte.
  • windstrooimachine in drie trappen: eerst blazen van fijne deklaag tegengesteld aan looprichting van band; vervolgens mechanisch strooien van grove middenlaag; laatst strooien van fijne deklaag met looprichting band.

Omdat het gewicht en de constantheid hiervan belangrijk zijn voor de kwaliteit, treft men op vrijwel iedere installatie een inrichting aan om dit te controleren. Bij de moderne installaties geschiedt dit continu m.b.v. isotopen en wordt het materiaal automatisch teruggevoerd indien de afwijkingen de gestelde grenzen overschrijden.