Beschikbare milieuvriendelijke en veiligheidsborgende technieken

Het uiteindelijke doel van de in dit hoofdstuk beschreven maatregelen is steeds om een hoger niveau van milieubescherming of veilige bedrijfsvoering te realiseren.

Voor sommige maatregelen zijn reeds bepalingen opgenomen in Vlarem (bv. bij de maatregel “lekdetectie” bestaat er reeds een VLAREM-bijlage m.b.t. “permanente lekdetectie”), maar zijn in dit hoofdstuk opnieuw belicht omwille van de relevantie voor de activiteiten onder de studiescope.

Andere maatregelen zijn nieuw (bv. CNG-productie uit LNG als boil-off gas maatregel), en zullen (mits ze als BBT geëvalueerd worden) als nieuwe (sectorale) voorwaarden worden verwoord/verwerkt.

 

Veiligheidsfuncties

Zoals in hoofdstuk Procesbeschrijving werd beschreven, dienen de maatregelen uit deze BBT-studie één of meerdere veiligheidsfuncties. De aard van de veiligheidsfunctie geeft aan of ze, net als de eraan te linken maatregelen, een preventief of gevolgbeperkend doel heeft. Hoe de veiligheidsfunctie zich op het vlinderdasmodel positioneren, is weergegeven in Figuur 20.

Figuur 20: Overzicht van de preventieve (VF1-VF2) en de gevolgbeperkende (VF3-VF8) veiligheidsfuncties, met in groen een aanduiding van mogelijke oorzaken (links) en gevolgen (rechts) in relatie tot een ongewenste vrijzetting van LNG tijdens exploitatie van een LNG-afleverinstallatie

 

In het centrum van de vlinderdas staat de ongewenste vrijzetting van LNG.

De oorzaak van de ongewenste vrijzetting is meestal een samenloop van omstandigheden waarbij de voorziene veiligheidsmaatregelen niet meer afdoende werkten. Elke genomen preventieve maatregel fungeert als een barrière om de ongewenste vrijzetting te voorkomen. De directe en onderliggende gevaren (oorzaken) samen met de preventieve maatregelen vormen de linkerkant van de vlinderdas.

De ongewenste vrijzetting zal resulteren in een aantal gevolgen. Gevolgbeperkende maatregelen moeten de mogelijke schade voorkomen of beperken. De rechterkant van het vlinderdasmodel wordt gevormd door de mogelijke gevolgen van de ongewenste vrijzetting, samen met de gevolgbeperkende maatregelen. Hierbij kan nog onderscheid gemaakt worden tussen maatregelen die ervoor moeten zorgen dat er -eenmaal de gevaarlijke stof ongewenst vrijgezet is- geen schade kan optreden (beschermingsmaatregelen) of dat de optredende schade beperkt blijft (mitigerende maatregelen).

Het vlinderdasmodel beschrijft zowel het veiligheidsrisico voor de mens als voor het milieu. Voor elke beschikbare techniek wordt aangegeven of het om een preventieve (P) of gevolgbeperkende (GB) maatregel gaat door een kleine vlinderdas waarvan respectievelijk de linker- of rechterkant is ingekleurd.

Naast de opdeling preventief en gevolgbeperkend, cfr. het vlinderdasmodel en de bijhorende 8 veiligheidsfuncties is nog een bijkomend onderscheid in de aard van de maatregel te maken: is de maatregel eerder technisch of organisatorisch?

  • Technische maatregelen omvatten onderdelen, toestellen, hulpmiddelen e.d. die vaak in de installatie geïntegreerd worden om het veiligheidsniveau te verhogen.
  • Organisatorische maatregelen omvatten het opzetten van een beleid, opleidingen, procedures, voorschriften, signalisatie enz. die de mens duidelijk maken dat het aangewezen is om te handelen volgens bepaalde afspraken. Hierbij blijft de menselijke factor (zijnde menselijk ingrijpen/menselijk handelen) aanwezig.

Volgens de preventiehiërarchie gaat de voorkeur dan ook uit naar technische maatregelen, die om doeltreffend te kunnen zijn meestal ook complementaire organisatorische maatregelen zoals een regelmatig onderhoud vereisen.

Complementair aan Figuur 20 geeft Tabel 12 hieronder het resultaat van de oefening om, in het kader van volledigheid, de maatregelen uit hoofdstuk Beschikbare milieuvriendelijke en veiligheid borgende technieken met de veiligheidsfunctie(s) te linken. Deze tabel kan de lezer kortom als leidraad gebruiken om gericht te kunnen zoeken naar maatregelen die gelinkt zijn aan een bepaalde veiligheidsfunctie.

Tabel 12: Kruistabel met relatie tussen de in dit hoofdstuk beschreven maatregelen en de 8 veiligheidsfuncties (FOD WASO)

Toon enkel technieken...
Aspecten
...op...
Beste beschikbare techniek
Milieuvriendelijke techniekTechnische aspectenMilieuaspectenBBT
BewezenAlgemeen toepasbaarInterne veiligheidKwaliteitGlobaal - technischLuchtEnergieGeluid en trillingenOverigeGlobaal - milieuExterne veiligheidEconomisch
Algemeen
Risicobeheersing m.b.v. een managementsysteemJa
Opleiden van belanghebbendenJa
Afspraken en regels over handelingen met LNG-houdende installatie(onderdelen)Ja
Voorzien van maatregelen voor toezicht & toegangJa
Voorzien en gebruik maken van onderhoudsproceduresJa
Bouwen, exploiteren en onderhouden volgens een code van goede praktijkJa
Respecteren van interne scheidingsafstandenJa
Respecteren van externe scheidingsafstandenJa
Voorzien en inoefenen van up-to-date noodproceduresJa
Voorzien en aanduiding van veiligheidszoneringJa
Vlotte en veilige verkeerscirculatie op de inrichtingJa
Juiste materiaalkeuze en beschermlaagJa
Potentiaalverschillen tussen installatieonderdelen voorkomenJa
Aflevering d.m.v. een vaste verdeelarmvgtg 2
Ontwerpmaatregelen treffen om warmte-insijpeling te voorkomenJa
Voorzien van een opvangvoorziening voor vrijgesteld LNGvgtg 5
Visuele weergave van de maximale vullingsgraad van de tank op de tankJa
Niveaumeter die continu en zichtbaar de vullingsgraad aangeeftJa
Gewichtsmonitoring van de opslagtankvgtg 6
Koppeling tussen de niveaumeter en het ESD-systeemJa
Installatie waarmee het binnenste vat van de tank, ingeval van dreigende overvulling of voor onderhoud kan worden geleegdJa
Dampretour bij verdeling van LNG Ja
Boven- en ondervulling van LNG-opslagtanksJa
BreekplaatNee 7
AfblaasvoorzieningJa
Overdrukventielen & afleverdrukherkenningJa
gebruik van breekkoppelingenJa
gebruik van lekvrije snelkoppelingenJa
Afschermen van gevoelige installatieonderdelenJa
Voorzien en gebruiken van persoonlijke beschermingsmiddelenJa
Voorzien van branddetectie en brandbestrijdingsmiddelenJa
Veiligheids- en milieu-informatie communiceren d.m.v. signalisatieJa
Gecontroleerde immobilisatie van voer- en vaartuigen bij overslagJa
Voorzien van een dodemansknopJa
Voorzien van een gekoppeld noodstopsysteem (emergency shutdown - ESD)Ja
Optimaliseren van de LNG-aan- en afvoerJa
Boil-off gas managementtechniek: Injecteren van methaan(gas) op een lokaal aardgasnet 8vgtg 9
Boil-off gas managementtechniek: Productie van elektriciteit uit LNG 10vgtg 11
Boil-off gas managementtechniek: Productie van CNG uit LNG 12vgtg 13
Boil-off gas managementtechniek: In-line saturatie (‘saturation on the fly’) 14vgtg 15
Boil-off gas managementtechniek: LNG-boil-off-conditionering door reliquefactie 16vgtg 17
Gebruik van (mobiele) fakkelinfrastructuurNee 18
Voorzien van een (droog) tankafkoelingsysteem ((dry) deluge system)vgtg 19
Voorzien van lekdetectieJa
Overzichtelijke inrichting van de plaats van exploitatieJa
Voorzien van mogelijkheid om LNG uit opslagtank te kunnen ledigen (nood/onderhoud)Ja
  • Legende
  • 0
    Geen/verwaarloosbaar effect
  • -/--
    Negatief of zeer negatief effect
  • -
    Negatief effect
  • +/--
    Positief of zeer negatief effect
  • +/-
    Soms een positief effect, soms een negatief effect
  • +/0
    Positief of geen/verwaarloosbaar effect
  • +
    Positief effect

1 Bij een truck-to-ship bunkering en verdeelinstallatie voor voertuigen is een vaste laadarm niet BBT, omwille van niet kosteneffectief.

2 Bij een vast bunkerstation kan een vaste laadarm wel BBT zijn, maar doorgaans niet voor de doorzethoeveelheden die verwacht worden bij een vast bunkerstation met een opslagcapaciteit binnen de scope van deze BBT-studie, zijnde <200 ton. Indien ten gevolge van de opslagcapaciteit, doorzet, leidingdiameters, of andere risicobepalende factoren van de afleverinstallatie, de risicoafstandsregels niet gerespecteerd kunnen worden zonder vaste laadarm, kan een vaste laadarm wel BBT zijn. Dit is op bedrijfsniveau te beoordelen.

3 Bij +: In de studie van M-Tech (M-Tech, 2017) werd aangetoond dat de invloed van een inkuiping op het plaatsgebonden mensrisiconiveau van 10-5/j en 10-6/j eerder beperkt is, omdat de ongevalscenarios waarbij plasvorming te verwachten is (leidingbreuk en catastrofaal begeven) te lage faalfrequenties hebben om op deze niveaus van het plaatsgebonden mensrisico een rol te gaan spelen. Op het niveau van 10-7/j heeft de plaatsing van een inkuiping voor bepaalde installaties (installaties met saturation on the fly) wel een positieve impact op de risicocontour. Verder blijkt uit de studie dat de inkuiping wel een belangrijke invloed kan hebben op het groepsrisico. Zeker indien de externe omgeving gekenmerkt wordt door een grote populatie in de onmiddellijke omgeving (100 tot 350m) kan het voorzien van een inkuiping belangrijk zijn om het extern mensrisico dat uitgaat van de installatie aanvaardbaar te maken. Anderzijds kunnen door het plaatsen van een inkuiping bijkomende risico’s worden geïntroduceerd. Naar het oordeel van het begeleidingscomité wegen deze nadelen niet op tegen de voordelen. Bij 0: Door een combinatie van het permanent toezicht, de specifieke interne afstandsregels, het beperkt aantal en de beperkte duurtijd van de handelingen per overslagen volume-eenheid en per bunkerlocatie, oordeelt het begeleidingscomité dat het veiligheidsverhogend effect van een opvangvoorziening bij truck-to-ship verladingen kleiner is dan bij de andere types LNG-afleverinstallaties.

4 De omvang van de kosten voor de opvangvoorziening wegen voor truck-to-ship-verladingen niet op tegen het veiligheidsverhogend effect, dat voor deze installaties beperkt is (zie voetnoot Externe veiligheid Bij 0).

5 Alhoewel het veiligheidsverhogend effect van een opvangvoorziening verschilt van geval tot geval (zie voetnoot externe veiligheid BIj + ), wordt er in deze studie voor geopteerd om het voorzien van een opvangvoorziening voor vrijgekomen LNG als BBT te beschouwen voor alle LNG-afleverinstallaties, met uitzondering van truck-to-ship-verladingen. Dit enerzijds omwille van het voorzorgsprincipe, anderzijds met de bedoeling om een uniform en duidelijk voorwaardenkader voor alle installaties te creëren.

6 De beperkte (meer)kost om tot 10 maal lagere kans op overvulling te hebben bij een verticaal opgestelde opslagtank geeft een goede redundantie, maar is niet standaard BBT bovenop een niveaumeter, wat een kosteneffectievere maatregel is. Het is wel BBT om beide metingen op een horizontaal geplaatste LNG-opslagtank te installeren, omwille van het feit dat bij een horizontale tank de vulgraad niet gelijk is aan de vulhoogte (zie de duiding hiervan in paragraaf 3.8.3). Bij horizontaal opgestelde tanks is de gewichtsmonitoring van de tank dus wel BBT in combinatie met een niveaumeter.

7 Op basis van de ervaring van het begeleidingscomité, blijkt een breekplaat niet als een alternatief voor de andere maatregelen ter voorkoming van en beveiligen bij overdruk als BBT gebruikt te kunnen worden, maar kan wel als een extra (redundante) beschermingsmaatregel getroffen worden bovenop (overdruk)veiligheidsventielen/afsluiters.

8 Het voorzien van één of een combinatie van boil-off gas managementtechnieken is BBT. De exploitant heeft de keuze om één of meerdere technieken van de 'Boil-off-gas managementtechnieken' toe te passen.

9 Een lokaal aardgasnet is niet steed beschikbaar, dus is dit om technische redenen niet altijd als BBT te beschouwen

10 Het voorzien van één of een combinatie van boil-off gas managementtechnieken is BBT. De exploitant heeft de keuze om één of meerdere technieken van de 'Boil-off-gas managementtechnieken' toe te passen.

11 Productie van elektriciteit uit LNG is een mogelijke manier om boil-off gassen te valoriseren, maar dient op bedrijfsniveau geëvalueerd worden of dit in de gegeven situatie en vanuit energetisch en economisch standpunt de meest geschikte boil-off gas managementmaatregel is.

12 Het voorzien van één of een combinatie van boil-off gas managementtechnieken is BBT. De exploitant heeft de keuze om één of meerdere technieken van de 'Boil-off-gas managementtechnieken' toe te passen.

13 Produceren van CNG uit LNG is een mogelijke manier om boil-off gassen te valoriseren indien de doorzet van LNG onvoldoende blijkt, maar dient op bedrijfsniveau geëvalueerd worden of dit in de gegeven situatie en vanuit economisch standpunt (bv. voldoende vraag naar CNG) de meest geschikte boil-off gas managementmaatregel is..

14 Het voorzien van één of een combinatie van boil-off gas managementtechnieken is BBT. De exploitant heeft de keuze om één of meerdere technieken van de 'Boil-off-gas managementtechnieken' toe te passen.

15 Het is BBT om een in-line saturatie toe te passen bij nieuwe installaties waarvan de doorzet een te grote onbekende factor is. Het is geen BBT om bestaande tankstations met bulksaturatie van een in-line saturatie te voorzien.

16 Het voorzien van één of een combinatie van boil-off gas managementtechnieken is BBT. De exploitant heeft de keuze om één of meerdere technieken van de 'Boil-off-gas managementtechnieken' toe te passen.

17 Investeren in reliquefactie van boil-off gas is niet steeds kostenefficiënt. Het type samenbouw en de doorzet zijn hierbij bepalend. Het is BBT om verdampt LNG opnieuw te koelen d.m.v. een extern koelmiddel indien de doorzet te klein is om inkoeling door bijvulling met LNG te kunnen realiseren. Ook bij een tankstation van type c is een reliquefactie (bv. d.m.v. een LIN-assist) BBT.

18 Een fakkel is niet bedoeld als techniek voor boil-oll gas management, maar enkel als back-up in noodsituaties of niet-routinematige bedrijfsomstandigheden. BBT slaan op normale operationele omstandigheden. Het gebruik van een fakkel kan dus niet als BBT beschouwd worden.

19 Een droog tankafkoelingssysteem is enkel BBT wanneer er zich in de buurt potentiële warmtebronnen bevinden die in een stralingsflux op de LNG-opslagtank van meer dan 15 kW/m² op de tankwand kunnen resulteren. Dit om domino-effecten vanuit een omliggende installatie te voorkomen.